De coronamaatregelen en het taboe van onze sterfelijkheid

Bijgewerkt op: 16 feb.

Deze blog is de complete versie van een mini-essay dat ik met Jelle van Baardewijk schreef voor het Parool van 30 december 2021.


De sterke HBO-serie The Leftovers (2014-17) begint met de plotselinge verdwijning van twee procent van de wereldbevolking. Daarmee is zij een haast griezelig goed getimede voorafschaduwing van onze coronatijd. Natuurlijk sterven er een stuk minder mensen aan Covid-19 dan die twee procent. Bovendien verdwijnen in The Leftovers mensen van alle leeftijden. Toch ontroerde de serie ons, omdat haar personages in relatief vergelijkbare omstandigheden als de onze een zo rijk palet aan menselijke reacties op sterfelijkheid verbeelden. Sommigen pakken de draad van hun leven snel weer op, anderen zoeken hun heil in religieuze overgave of complotten. Al met al gaat The Leftovers vooral over verdraagzaamheid en aanvaarding.


In tegenstelling tot de situatie in de serie kunnen wij invloed uitoefenen op wat een deel van onze samenleving het leven kost. Wij hebben middelen om de impact van corona te verkleinen en zijn daarom niet geneigd te denken dat we met het virus moeten leren leven. Zo’n halfjaarlijks vaccin of een lockdown redden daadwerkelijk levens. Toch verklaart dat op zichzelf nog niet onze neiging om deze middelen tot in het extreme aan te grijpen, zelf voorbij het punt waarop ze daadwerkelijk nog bijdragen aan de gezondheid. Wie had in 2019 kunnen vermoeden dat de Nederlandse bevolking maatregelen als avondklokken, QR-codes en vaccinatieplicht zonder al te veel gemor zou accepteren? Hoe laat zich dat begrijpen?


Onttoverde wereld

Op zich zit de neiging om het leven te controleren en reguleren diep ingebakken in de moderne mens. Wij leven met een permanente drang naar vooruitgang in een onttoverde wereld, zoals de socioloog Max Weber dat noemt. Voor ons geen hiernamaals of een goddelijke wil die de wereld voorziet van een betekenis die over de grenzen van geboorte en dood wijst. Daarmee is de dood voor velen een groot niks geworden, waartegen men zich koste wat kost teweerstelt. Er is altijd nog een stap vooruit denkbaar, een nieuw hoofdstuk dat geleefd moet worden. Troost vinden we pas als het ‘echt niet anders kan’, liefst na ‘een dapper gevecht’ met een ziekte, of ‘zonder pijn’. De grens van het leven is daarmee een medisch vraagstuk geworden.

De gezondheidszorg die dit vraagstuk dient te adresseren, is onder het mom van vooruitgang getransformeerd tot een efficiënte behandelmachine die bovendien is blootgesteld aan de logica van de vrije markt. Specialisten, verzekeraars en farmaceuten begeleiden ons leven tot de laatste snik, uiteraard kosteneffectief en winstgericht. Al ver voor corona stierven veel mensen pas nadat zij een jaar aan de slangen hadden gehangen en veelal kostbare behandelingen hadden ondergaan. We geven met gemak 200.000 euro uit aan laatste levensjaren met een zeer geringe kwaliteit van leven. Je kunt je afvragen: zou dat geld voor de laatste levensjaren van ouderen niet beter naar scholen kunnen gaan waar te weinig leraren zijn die bovendien met een regelrechte reken- en taalcrisis te kampen hebben? Of naar projecten om ontbossing tegen te gaan?


In de ban van een taboe

Dit zijn ingewikkelde vragen omdat op één van de mogelijke antwoorden een taboe rust. Eventueel een technisch mogelijke behandelingen niet uitvoeren? Bijna ondenkbaar. Wij hebben er heel wat voor over om de dood niet zonder medische bijstand onder ogen te hoeven komen. Het ziekenhuis heeft in onze cultuur de plaats van de kerk overgenomen, zoals de filosoof Ad Verbrugge het eens verwoordde. Van wieg tot graf word je begeleid door medici en net als in de kerk gaat elke belangrijke fase gepaard met zijn eigen rituele (be)handeling, van kindervaccinatie tot de laatste druppel morfine. In tegenstelling tot de kerk speelt echter de eindigheid en de aanvaarding van het leven in het ziekenhuis geen wezenlijke rol. Van de patiënt wordt verwacht dat hij vecht en de arts maakt dat gevecht mogelijk. Het emotioneel repertoire van het ziekenhuis strekt van ‘hoop’ tot ‘alles hebben gegeven’. Dit alles zal menig specialist trouwens ook morele kopzorgen bezorgen.


Woekerende beheersingslogica

De afgelopen twee jaar heeft de beheersingslogica ook het regeringsbeleid buiten de ziekenhuizen bepaald. Als er geen behandeling is, zo was de gedachte, kunnen we altijd nog voorkomen dat mensen ziek worden. Niet door hun immuniteit te versterken, maar door het inperken van contacten en het stilleggen van het normale leven. Aan de enorme weerstand bij de regering en het Outbreak Management Team tegen een serieuze evaluatie van de effectiviteit van deze maatregelen en het in kaart brengen van de precieze economische, sociale en geestelijke kosten van het coronabeleid is te merken dat we ook hier in de ban van een taboe zijn. Kennelijk leven we liever zonder samen sporten en werken, met gesloten scholen en met door QR-codes afgeschermde publieke ruimtes dan dat we de relatieve geringe fataliteit van dit virus onder ogen komen.


Homerus schreef al dat het generaties vergaat zoals de bladeren aan de bomen. Dat besef zou ons enige berusting moeten geven, gelijk Abraham die, zoals we in de Bijbel lezen, stierf ‘oud en der dagen zat’ omdat het voor hem simpelweg genoeg was. Dat wij de wijsheid uit Homerus en de Bijbel niet meer begrijpen, is tot daaraantoe, maar de coronacrisis maakt duidelijk hoe weinig we ervoor hebben teruggekregen. Wij vinden alles ingewikkeld dat onvolmaakt, tragisch en pijnlijk is. Het goede leven is voor ons een leven van optimaal genot en een minimum aan pijn geworden. We denken de grote levensvragen rond ziekte en dood te kunnen ‘managen’. Hoe reëel is dat eigenlijk? Zouden wij ‘stervelingen’ niet beter moeten weten?

0 opmerkingen

Recente blogposts

Alles weergeven